Onderwijs

Islamitisch onderwijs

Het islamitisch onderwijs lijkt in de lift te zitten. Terwijl het totale aantal basisschoolleerlingen in Nederland daalt, groeit de hoeveelheid kinderen dat naar het islamitische primair onderwijs gaat. In 2010 waren dat er zo’n 9.000, vorig jaar lag het aantal op bijna 11.000.

Volgens docenten en bestuurders heeft dat voor een belangrijk deel te maken met de negatieve beeldvorming bij publiek en politiek over de islam. Op een islamitische school zouden kinderen en jongeren met een moslimachtergrond meer zichzelf kunnen zijn. Ook verwachten ouders die kiezen voor een islamitische school dat zo'n school bijdraagt aan een gedegen religieuze vorming, een stabiele identiteitsontwikkeling en weerbaarheid tegen negatieve invloeden, waaronder de gevaren van radicalisering, verslaving en criminaliteit.

De kwaliteit van islamitisch primair onderwijs vertoont over het brede spectrum genomen een stijgende lijn. Onderwijssocioloog Jaap Dronkers van de Universiteit van Maastricht concludeerde in juni 2015 dat islamitische scholen het over het algemeen beter doen dan openbare scholen met een vergelijkbare lage sociaaleconomische samenstelling.  De Onderwijsinspectie bevestigt dat positieve beeld en ziet duidelijke kwaliteistverbetering.

Momenteel volgen naar schatting 11.000 leerlingen hun onderwijs op 49 islamitische basisscholen in Nederland. Voor de goede orde: dat houdt in dat nog altijd bijna 95% van alle kinderen met een moslimachtergrond niet naar een islamitische basisschool gaat. Verder is er één islamitische school voor voortgezet onderwijs en zijn er twee ‘universiteiten’, die geaccrediteerde opleidingen op HBO-niveau verzorgen. Hoeveel moslimouders hun kind naar een islamitische (basis)school willen laten gaan is onbekend. Dat zijn er vast meer dan die er nu ook gebruik van (kunnen) maken. Voorzover ons bekend hebben de meeste islamitische ouders de voorkeur voor een goede openbare of bijzondere school in de buurt.

Aan de huidige situatie is een periode van zo’n drie decennia voorafgegaan, waarin met heel veel vallen en opstaan een nieuwe denominatie in het Nederlandse onderwijssysteem vorm probeert te krijgen. In onderstaand overzicht een samenvatting.

Verzuilingsgeschiedenis
Nederland kent een verzuild onderwijssysteem. Vanaf het begin van de negentiende eeuw hebben groeperingen van uiteenlopende religieuze richting zich hard gemaakt om onderwijs vanuit hun levensbeschouwelijke achtergrond, zonder directe invloed van de staat, wettelijk gegarandeerd te krijgen. In 1884 resulteerde die strijd in de invoering van de vrijheid van onderwijs als grondwettelijk recht. Artikel 23 van de grondwet garandeert de vrijheid van stichting, richting en inrichting, van aanstelling van leerkrachten en keuze van leermiddelen. Bijzonder en openbaar onderwijs worden ook naar dezelfde maatstaf door de overheid bekostigd. Die combinatie is in internationaal perspectief bijzonder.

Ondanks de ontzuiling vanaf de jaren zestig en het grotere belang dat veel ouders hechten aan de kwaliteit en de bereikbaarheid van een school dan aan het levensbeschouwelijk karakter ervan, is het wettelijk kader in tact gebleven. In de Wet op het Basisonderwijs uit 1992 zijn wel wijzigingen doorgevoerd om schaalvergroting binnen het onderwijs te verwezenlijken. Deze wijzigingen beperken de mogelijkheden voor nieuwe religieuze groepen, waaronder moslims, om hun eigen scholen op te richten substantieel.   

Waarom islamitisch onderwijs?
In de loop der jaren zijn moslims zich steeds bewuster geworden van de mogelijkheden die de Nederlandse wet biedt om eigen voorzieningen te treffen. Islamitische scholen zijn daarvan – samen met moskeeën - de meest bekende én omstreden voorbeelden.

De belangrijkste argumenten van een klein deel van de Nederlandse moslims vóór islamitisch onderwijs lijken vooral te zijn terug te voeren op het gebrek aan mogelijkheden om binnen de bestaande structuren het onderwijs aan te laten sluiten op de opvoeding van hun kinderen. Zij ervaren in het reguliere onderwijs een gebrek aan aandacht voor hun culturele en religieuze normen, waarden en gedragspatronen.

Daarbij gaat het allereerst om de invoering van islamitisch godsdienstonderwijs op christelijke en openbare scholen. Bij de besturen van christelijke scholen was de bereidheid om er iets mee te doen klein. Zij wilden hun eigen identiteit behouden of overwogen hooguit levensbeschouwelijk godsdienstonderwijs te geven, waarbinnen ook aandacht zou zijn voor andere (niet-christelijke) religies.

In het openbaar onderwijs is er ruimte om aandacht te besteden aan de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden, zoals die leven in de Nederlandse samenleving. De invulling van dit onderwijs kan bij externen liggen, maar dit stuitte in het verleden vaak op  problemen over de instructietaal. Strikt genomen moest dat Nederlands zijn, terwijl in het begin van de jaren '80 de meeste docenten in het islamitisch godsdienstonderwijs die taal onvoldoende beheersten.

Sinds eind jaren '70 werd over de gehele linie gezien wel meer aandacht besteed aan intercultureel onderwijs en aan geestelijke of levensbeschouwelijke stromingen. Daarmee kwam er ruimte voor kennisoverdracht over de islam. Maar de invulling hiervan bleek en bleef op veel scholen zeer beperkt en voldeed zeker niet aan de wensen van de orthodoxe moslimouders.

Ook binnen de lessen Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC) werd, door de ene leerkracht meer dan de andere, aandacht besteed aan de islam en islamitische normen en waarden. Deze lessen werden sinds het midden van de jaren negentig niet meer in het reguliere lesprogramma (binnen schooltijd) opgenomen en vervangen door Onderwijs in Allochtone Levende Talen (buiten schooltijd), dat vervolgens in 2005 ook werd afgeschaft omdat volgens het kabinet Balkenende prioriteit moest worden gegeven aan het leren van Nederlands.

Bovendien was OETC/OALT voor een deel van de onderwijsprofessionals omstreden. Meer aandacht voor de eigen taal en cultuur zou leiden tot segregatie of juist de oorzaak zijn van onderwijsachterstanden. Onderzoek naar het effect van OETC op de leerprestaties geeft hierop geen eenduidig antwoord.

Het ging moslimouders overigens niet alleen om islamitisch godsdienst- of cultureel onderwijs. Voor veel ouders waren ook kledingvoorschriften (hoofddoek), afzonderlijke sportlessen en het rekening houden met spijswetten en islamitische feestdagen minstens zo belangrijk. Ook het gebrek aan betrokkenheid van moslimouders bij de school van hun kinderen en van de scholen bij de ouders bleef - van beide kanten - een hardnekkig probleem.

Meer artikelen over onderwijs

 


Op dit gedeelte van de site een overzicht van de wijze waarop moslims zich in Nederland georganiseerd hebben. Kijk voor de overzichtspagina hier.

   

De achtergrondartikelen op deze site zijn geschreven door Roemer van Oordt en Ewoud Butter. De informatie op deze site is 'work-in-progress' en wordt geregeld aangevuld en indien nodig gecorrigeerd. Heeft u opmerkingen of aanvullingen, mail deze dan naar info@polderislam.nl
laatste wijziging van deze pagina: 7 september 2015

Delen:


Gerelateeerde nieuwsberichten: