Beleid ten aanzien van de islam in Nederland

In Nederland heeft de overheid relatief weinig bemoeienis met de geloofsbelevenis van Nederlandse burgers. Dit vloeit voort uit de vrijheid van godsdienst (of vrijheid van religie), de vrijheid van vereniging en het principe van de scheiding van Kerk en Staat.

De vrijheid van godsdienst werd voor het eerst in 1579 vastgelegd in de Unie van Utrecht, een overeenkomst tussen de gewesten die in verzet kwamen tegen Spaanse overheersing. De gewesten Holland en Zeeland kregen als eerste vrijheid van godsdienst. In de loop der jaren werd de vrijheid van godsdienst uitgebreid.

In artikel 6 van de huidige grondwet staat de godsdienstvrijheid als volgt omschreven:

Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

De wet kan ter zake van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Voor moslims betekent dit dat ze in Nederland op grond van artikel 6 van de grondwet de vrijheid hebben hun eigen vorm van religie te kiezen en te belijden. Ze mogen hun religie ook weer verlaten. 

Er zijn meer wetsartikelen die van belang zijn voor de organisatievorming van moslims in Nederland. Zo hebben moslims op grond van bijvoorbeeld artikel 8 van de grondwet de vrijheid hun eigen organisaties op te richten om hun geloof te belijden, maar ook om op basis van hun geloof maatschappelijke activiteiten (zorg, media, onderwijs, welzijn) te ontwikkelen.
Artikel 23 van de grondwet geeft moslims de mogelijkheid, mits er wordt voldaan aan diverse voorwaarden, islamitische scholen te stichten. Lees meer over islamitisch onderwijs hier.

De overheid kan zich alleen met de godsdienstvrijheid bemoeien wanneer de veiligheid, de gezondheid of de overtreding van relevante wetten in het geding is, zoals bijvoorbeeld artikel 1 van de grondwet dat discriminatie op basis van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, of op welke andere grond dan ook, verbiedt. Daarom besteedt de overheid ook aandacht aan het tegengaan van moslimdiscriminatie/ islamofobie.

Voor de verhouding tussen de overheid en islamitische organisaties en instituties is het principe van de Scheiding van Kerk en Staat van belang. Sinds de aanslagen van 11 september 2001 en zeker na de moord op Theo van Gogh werd de bemoeienis van de Nederlandse overheid met moslims en hun organisaties grote om radicalisering te voorkomen. Beide onderwerpen worden daarom apart besproken.

 

De achtergrondartikelen op deze site zijn geschreven door Ewoud Butter en Roemer van Oordt. De informatie op deze site is 'work-in-progress' en wordt geregeld aangevuld en indien nodig gecorrigeerd. Heeft u opmerkingen of aanvullingen, mail deze dan naar info@polderislam.nl
Laatste wijziging: 8 september 2015

Delen: